Winter 1940/41, Londen

london

klik op het kaartje voor meer informatie over deze reis

`s Nachts kwamen de Duitsers weer terug en hadden geen moeite de dokken te vinden. Het gehele dokkenareaal stond in vlammen en ze lieten er gewoon hun bommen in vallen. De situatie aan boord was nu zodanig dat we daar niet meer konden leven met de machinekamer buiten bedrijf. Geen water, geen licht, geen voedsel, enfin noem maar op. Gevolg was dat wij, de officieren dus, in Londen in een hotel, het ‘Bonnington Hotel’ werden ondergebracht. Een behoorlijk groot hotel dat geen sterke drank verkocht. Daar waren we vlug achter gekomen. Gelukkig was er een zeer goed voorziene Pub ( Public house ) op slechts twee minuten lopen van het hotel.
Maar dit allemaal even terzijde, want het leven ging door. Er moest gewerkt worden en er werd dus allereerst een werkschema opgemaakt. Omdat er een assistent s.w.t.k. enige tijd geleden naar een ander schip was overgeplaatst waren er dus nog twee over, een collega en ikzelf.
Aangezien we dus totaal niets te zeggen hadden was alles vlug bekeken en werden we in de nachtwacht geplaatst en wel zo dat we dat om de beurt deden. Overdag werkte iedereen in de dagdienst en wij ’s nachts op het verlaten schip.
Is dat gevaarlijk ? Wel tijdens de bombardementen. Het was de bedoeling dat b.v., de eventueel aan boord gelande brandbommen door ons gedoofd werden met een paar scheppen zand. Hiervoor waren er op gepaste afstand emmers met zand geplaatst. Bijzonder snel handelen was vereist als er een of meer op de houten luiken vielen. Binnen zeer korte tijd was er een gat in gebrand en viel dat ding fel brandend in het ruim. Dan had je werkelijk een probleem. Over werkelijke inslagen van bom of bommen praat ik maar niet.
Is dat verantwoord ? We waren beiden 21 jaar en waren verantwoordelijk voor het wel en wee van een groot en hulpeloos schip met een waarde van miljoenen. Alles aardedonker vanwege de black out. Nu [1999] zou ik zeggen, welnee. Maar toen was het iedereen worst en, laat ik eerlijk zijn, mijn collega en ik wisten ook niet anders en je deed maar wat je bevolen werd. De eerste paar weken waren we helemaal niet op ons gemak. Maar het slijt, zelfs vlugger dan je denkt.
Wat gebeurde er met de boot nadat deze dus niet verder meer kon zinken. Er werden pompen aan dek geplaatst en er werd zo hard gepompt dat de hoeveelheid uitgepompt water meer was dan er binnenkwam. Logisch gevolg dat het schip ging drijven Vliegensvlug werd de boot naar een droogdok gesleept en totaal leeggepompt. Ik wierp toen een blik in de machinekamer en wat ik zag was eigenlijk met geen woorden te beschrijven.
Toch maar even proberen.
Onder de machinekamervloer zijn de z.g. bilges gesitueerd waarin zich alle olie
ongerechtigheden en water bevinden. Het is meestal doodgewone smurrie wat tijdens het in bedrijf zijn overboord wordt gepompt. Welnu, deze rommel was met het steeds stijgende water mee naar boven gekomen totdat dus de gehele machinekamer vol stond. Toen het water tijdens het leegpompen daalde zette zich op elke vierkante m/m een flinterdun zwart olieachtig filmpje vast op alles wat de machinekamer behelsde. De anders wit geschilderde machinekamer met zijn lichtgrijs geschilderde hoofd -en hulpwerktuigen was een groot zwart gat. Zo te zien zou je niet weten waar te beginnen. Iedereen die voor het eerst naar beneden keek was verbijsterd en kon maar twee woorden uitstoten ‘Gat samme!!’.
We lagen dus nu in het droogdok, de kiel op de kielblokken en ter hoogte van het dek, aan de buitenzijde, gesteund door balken tegen de muren van het dok. In deze positie zou hij, en dat wisten wij natuurlijk nog niet, de volgende zeven en een halve maand blijven liggen.
De Duitsers bombardeerden hoofdzakelijk overdag en voerden hun aanvallen ook op groter Londen uit en zodoende hadden we het tijdens onze nachtwachten nogal niet moeilijk. We moesten gewend raken aan het wachtritme en aan de busrit met de dubbeldekker naar het East End dok en terug.
Waar we niet aan gewend raakten was het eten in het hotel, het was nl. te weinig. Na het eten gingen de meesten nog even naar een eettentje, een paar huizen verder in de straat, om een paar sandwiches te kopen. We beklaagden ons bij het hoofd van de tafel, de tweede Stuurman, die direct tot actie over ging. Hij vroeg, heel discreet, het hoofd van het hotel restaurant om enige vergroting van de porties voedsel. En zo gebeurde het dat beide partijen voor de komende tijd in volle tevredenheid konden samenleven.
De verliezen in de lucht werden steeds groter aan beide zijden. De Duitse nog meer dan de Engelse. Na een week of vier kwam men tot de conclusie dat men de verliezen niet meer kon compenseren met reserves. De Duitsers het eerst. Ze veranderden hun tactiek en gingen nu in de nacht bombarderen. Dat zou een maand of drie duren en dat zou Londen veel slachtoffers kosten en schade berokkenen. Ook de dokken werden niet vergeten Het brommen van de vliegtuigen en het gieren van de bommen werkte niet bepaald geruststellend, veel brandbommen kwamen soms als een regen naar beneden. Slechts eenmaal, gelukkig, kwamen er twee stuks aan boord terecht die ik met veel bravoure, of was het angst, of beide, onschadelijk kon maken.
Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat, elke keer dat de dokken aan de beurt waren, ik van tevoren een flinke zakflacon whisky half had leeg gedronken. Je staat er van te kijken hoe dapper je wordt als je toch al niet zo ’n held bent.
Dit bombarderen hielden ze vol tot begin januari 1941. Toen kwam er wat rust in de tent. Hoewel we niet meer in de machinekamer werkten wilde dat natuurlijk niet zeggen dat daar niets gebeurde. De ongelofelijk grote schade aan het schip werd zeer langzaam, maar zeker, gerepareerd. Het wachtlopen veranderde niet, alleen de busreis was hectisch zo nu en dan wegens verstopte straten met puin en bomkraters.
De vrije tijd werd benut met het bezoeken van de binnenstad. Een film, een theater, een ‘tea’ in een Lyons Cornerhouse (allemaal op de hoek van de straat natuurlijk ) en ’s avonds meestal in de Peters Bar, een stap of vijftig van het hotel vandaan. Een werkelijk gezellig bruin café waar je in het vroege begin van de oorlog nog een biefstukje kon bestellen dat op het rooster van de open haard werd gegrild. Daar kwam ik ook nog in gesprek met een kerel die me vertelde dat, zelfs wanneer Hitler zou weten waar hij woonde en zijn naam en adres op een bom zou schrijven, deze bom hem nooit zou treffen. ‘You know why?’, vroeg hij. Ik wist het niet natuurlijk. Hij nam nog een flinke slok en schaterde het uit en zei: ‘Then I am here in this bloody pub, ha ha ha!’. Voor hem was het toch wel tijd dat de zaak werd gesloten. Die sloten altijd om elf uur ’s avonds nadat de baas van de tent had geroepen: ‘Time ladies and gentlemen, time please !!’.
Niemand maakte ooit bezwaar. Het was dan ook een prachtige tijd om naar bed te gaan want uiteindelijk was er buiten ook niets te beleven. Op straat was het, als er in de omtrek niets in brand stond, pikdonker en meestal vliegtuigen in de lucht. Helm op want er vielen nog al eens granaatscherven van de luchtafweer uit de lucht. En zo gleed het leven van de ene dag naar de andere. Maar je leefde in ieder geval.

<< vorig hoofdstuk ———————————————————volgend hoofdstuk >>

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.